Door Alje Bosma tijdens de Bedank de Boer Dag 2022

1. Midden in dit verrukkelijke vlakke voortdurend veranderende land van polders en waterschappen, waar water land en land later water werd, waar kaarsrechte sloten haaks op de wegen staan, waar brede rivieren traag door oneindig laagland gaan en de bewoners met geknotte kerktorenspitsen onder water wonen, waar de lucht laag hangt en de zon langzaam in parelgrijze veelkleurige dampen wordt gesmoord, ligt verzonken in een geweldige ruimte, verscholen tussen knotwilgen en rijen ondenkbaar ijle populieren, de Vlisterhoeve. De hoeve waar vele generaties de aarde hebben bewerkt, dieren en dijken hebben verzorgd en hebben leren leven en luisteren naar de stem van het water die met zijn eeuwige rampen werd gevreesd en gehoord.

2. Een zomerse zondagmiddag met Oma op de fiets langs de Lek, de Vlist en de Linschoten. Oma trappend en ik in het kinderzitje aan het stuur. Ik wijs Oma wat ik in de voorbijtrekkende wolken zie. ‘Een beer. Welnee, een Foliant.’ De stevige geur op de dijk. Oma weet de dingen die vlakbij zijn te zien. Ze leert mij kijken. Naar de schoonheid van dauwdruppels in de wei of in spinnenwebben. “Kijk, zie je dat water? Het lijkt wel puur zilver zo onder de zon.” Ze leert mij ruiken. Dorrend gras en rijp kervelzaad, pepermuntkruid, drijvend kalmoes. Oma kent alle plantjes bij naam. Ze leert mij de kaas te proeven die we samen hebben gemaakt. Ze leert mij vreemde woorden die mijn klasgenoten van nu niet kennen. Stremsel. Leb. Wei en wrongel. ‘Wei voer je aan de koeien. De wrongel was je met water, dan spoelen de suikers er lekker uit, en daarna pers je de wrongel in houten kaasvaten tot een mooie kaas van 12 kilo. ’Als laatste mocht ik dan het stempel er op doen. “Altijd je kunst ondertekenen met je eigen naam, Anna!’, zei Oma dan, waarna de vaten onder de pers werden gezet en later gepekeld. En iedere dag gekeerd. En daarna in de grupstal een kopje thee met een gedoopt Maria kaakje.

3. Ik hoor weer haar voeten over het grindpad raspen, haar klepperende klompen in de stal met aan haar ene arm een emmer mais voor de kippen en een zuigfles en voer voor de kalfjes in haar andere arm. Ik zie mijn Opa op zijn krukje in zijn boerenkiel en even later ruik ik weer de stevige geur van de zwarte Manchester van mijn vader vermengd met de geur van mest. Nog meer geuren komen langs. De naar turfmolm en groen blad ruikende kas waar Oma planten kweekte voor in de tuin waar ik heb leren lopen. Net als Mama, Oma en haar moeder daar hebben leren lopen. Van de tuin naar de met klaproos, klaver en korenbloem bedekte dijk. En weer terug. Mijn gedachten dwalen af naar die keer dat Opa Gieljan mij in de maling nam. Hij zei tegen mij dat het zwarte potlood dat hij tussen zijn vingers had, rood schreef. ‘Ech nie’, had ik geantwoord waarop hij het woord rood op een briefje schreef. Wat was ik toen boos. Mijn buurman in het vliegtuig glimlacht naar mij terug. Nieuwe beelden komen langs. Zwemmen met Oma en Mama in de Wetering, later in de Lek. De bevroren uiterwaarden en de dijk als de steilste sleehelling.

4. Het wassende water. Ik herinner mij de overstroming van 1995 toen het even heel spannend werd, toen de rivieren buiten hun oevers traden. Zelfs ons erf stond onder water en werd geteisterd door een striemende regen en een storm die met vlagen van orkaankracht over het land joeg. Gevaar kende ik nog niet, ook niet als ik met Opa Gieljan die Heemraad is van het Groot Waterschap na het betijen van de storm de dijken opga, op zijn arm de kades inspecteer en zie hoe de traag stromende rivier die normaal bedachtzaam haar weg door het land volgt, veranderd is in een nog steeds woest kolkende watermassa. Ik ben pas drie en vol vertrouwen. Opa kijkt zorgelijk. Hij kent de kracht van het wassende water.

5. Ach, de kaasmarkten in Gouda, Woerden en Bodegraven waar ik met Oma en Ma naar toe ging toen ik nog niet naar school hoefde. De mart. Een kopje warme chocolademelk. Klanten die ik iedere keer weer terug zie komen. “Wat is toch het geheim van je kaas Anna?”, hoor ik op een dag een man vragen. Ik zie mijn Oma de man lachend aankijken terwijl ze zegt: “ Tja, wat is het geheim van de Liefde Albert?”

6. Oma vertelt mij over de tijd dat de mart, marten zoals zij zei, altijd een mannending was. Maar voor Opa Gieljan was het niks. Dat handjeklap daar had ie niks mee. Dus Oma ging. En Opa reed haar aanvankelijk met de bandenwagen, eerst met paard en later met de trekker. Een deel ging via de Producent naar de markt, een deel verkocht Oma zelf thuis of op de mart of leverde ze af bij de pakhuizen van de handelaren. De meeste boerinnen waren wel benieuwd wat hun kazen opbrachten, ‘leefden wel met de mart mee’, maar Oma was in die jaren 50 en 60 toch wel een opvallende verschijning. En niet alleen vanwege de kwaliteit van de kaas. De enige vrouw te midden van al die kaashandelaren en boeren. Volgens Oma vond de marktmeester haar wel wat, want ze kreeg altijd een beste plaats toegewezen op de Nieuwe Markt, later bij het Arsenaal. In de zomer lekker in de schaduw, in de winter op een mooie lichte plaats. Negen rukken aan de bel en de kleden konden van de kaas. En dan maar kijken hoe vlot en willig de handel is die dag. Loven en bieden. Betasten en bevoelen. De band wordt bedrukt, de kleuren gekeurd. Oma had er wel schik in als ze maar van haar afbleven. En dat deden ze. Uit respect voor haar en de handen van Opa Gieljan. En ze bleven terugkomen, de handelaren. ‘Ze kenden de kaas uit ervaring en wisten hoe die zich zou ontwikkelen wanneer die opgelegd werd,’ zegt ze zelfverzekerd. Eerste kwaliteit. Grand Cru. ‘Wat vraag je Anna?’ en Oma noemt haar prijs. Handjeklap waarbij beide partijen het maximale er uit willen halen. En meestal eindigt het geklap als de andere partij een laatste harde klap op Oma’s hand gaf en zei: ‘Ik geef je geluk.’ Waarop Oma met een knipoog antwoordde: ‘Dat heb ik al maar dank je wel en tot volgende week.’ En eigenlijk hoefde ze niet meer zo naar de markt te gaan. Ze had haar vaste handelaren die haar kaas toch wel kochten.

7. Mijn mijmermuurtje. Ik zit op het lage muurtje bij de oude zeugenstal en kijk naar de oranje gloed van de ondergaande zon boven het weiland als Mama naast mij komt zitten. Ze legt een arm om mij heen en even zijn we zonder woorden. “Hier zat ik ook vaak met Opa. Die stal heeft hij nog met zijn eigen handen gebouwd. Maar hij had niet veel op met varkens. Hij was een man van koeien. Melken. Iedere morgen om half 5 op. En met iedere koe had hij een persoonlijke band. Hij kende ze allemaal, wist wie ze waren. Hun karakter, afkomst, hun nakomelingen. Ik zie nog altijd de glinstering in zijn ogen als hij een pasgeboren kalf zag dat schoongelikt werd. En hoe hij met krijt haar naam noteerde op de balk. En altijd vond hij het moeilijk om de stiertjes af te staan voor de slacht.”

8. Mijn mondhoeken krullen als vanzelf omhoog. Ik heb dit verhaal al duizend keer gehoord en weet wat gaat volgen. “ Ik weet nog die allereerste keer dat Opa mij op schoot nam en mij leerde melken. We zaten samen op een krukje, een driepoot, met ons voorhoofd tegen de warme dampende koeienbuik. Hij greep de spenen, duwde zijn vingertoppen zacht tegen de bovenkant, streek, masseerde naar beneden. De romige melkstraal maakte een klaterend geluid en deed de emmer schuimen. De koe had een volle, gezwollen uier met vier grote tepels en nog twee kleintjes achteraan. Toen ik het probeerde, kwam er niets uit. Maar hoe ik ook trok, er kwam niets uit. De koe sloeg naar mij met haar staart en stampte met haar achtervoet. ‘Niet trekken’, zei mijn vader dan. ’Duwen’, terwijl hij mij bezorgd aankeek. Ik zat als kleuter onder die zware uier die zo groot was als mijn romp en duwde, kneep en trok, maar het lukte me niet. Totdat eindelijk het eerste straaltje in de emmer pieste. De lekkerste melk die ik ooit gedronken heb,” spreekt ze nog zichtbaar nagenietend. Nog maar vijftig jaar geleden. Een kleuter. Een moeder. Ik geniet van mijn moeder en de stilte die we hebben gevonden tussen elkaar. Stilte die nog intenser wordt door het loeien van een koe, het krijsen van een uil of voetstappen in het grint. “ Weet je nog dat Opa altijd zei dat mensen die hard werken, niet zoveel praten?” Ik herinner mij die woorden altijd als ik weer eens te veel praat. We schieten in de lach en worden weer stil. Zullen we maar naar binnen gaan?’, vraagt Mam na een tijdje, maar ik besluit nog even buiten te blijven. Zij is niet de enige die zich graag laat meevoeren op de golven van haar herinneringen. Het wordt langzaam donker. Ik zit daar in de schemering, tere tinten in de lucht, zacht bijna koesterend licht rond de vage silhouetten van boerderijen in de verte, de oude maar springlevende populieren met hun doorzichtige takkenwerk en ik voel mij ondanks het verdriet zielsgelukkig. Thuis. Ik ga naar de kaasstal en keer de kazen.

9. Ik voel mij opgetild door de handen van Opa Gieljan. Die handen. Op verjaardagen wordt er nog over gesproken. Handen zo groot en sterk dat ze de nek van een stier zouden kunnen breken, maar dat nooit deden. Zijn grote eeltige boerenhanden die mijn kleine kleuterhandjes omsloten. Hoe anders waren de handen van Oma. Altijd schoon en zacht. Zoals alles blinkend schoon was in huis of in de kaasstal. Ondanks dat die handen iedere week alleen voor het maken van kaas 50 uur in de weer waren. Handen vertellen het verhaal van ons leven. Handen die melken, oppakken, keren, wegen, wringen, temperaturen, kneden, karnen, samenvoegen, borduren, rijgen, strelen, snijden, eten, vegen, grijpen, schillen, vouwen, opruimen, schoonmaken. ‘Kaas maken is schoonmaken’, zei Oma altijd. Ik kijk naar mijn handen en vraag mij af: ‘Zijn dit de handen van een kaasboerin?’